Overslaan en naar de inhoud gaan

Radiologie

Binnen de radiologie worden diagnostische beelden gemaakt met behulp van röntgenstralen, geluidsgolven of magnetische velden.

In de radiologie worden vijf beeldvormingstechnieken gebruikt :

Radiografie

Bij radiografie wordt met behulp van röntgenstralen (ook X-stralen genoemd) een foto van het inwendige lichaam gemaakt. Radiografie is de oudste, meest toegepaste techniek en wordt zowel in de geneeskunde als in de tandheelkunde gebruikt. Het is een snelle, economisch voordelige en bijgevolg wijd verspreide techniek. Röntgenstralen zijn ioniserende stralen. In vergelijking met computertomografie is de stralingsdosis bij radiografie vrij klein.

Een bekend voorbeeld van een radiografisch onderzoek is de mammografie. Een mammografie is een onderzoek waarbij een radiografie van de borst wordt gemaakt. Een mammografie wordt gemaakt met een speciaal daarvoor ontworpen toestel: een mammograaf. Tijdens het maken van een mammografie wordt de borst tussen twee platen samengedrukt. Veel vrouwen vinden dit onaangenaam. Deze samendrukking is echter absoluut noodzakelijk om een goede beeldkwaliteit te bekomen (meer details zichtbaar) en om de borst in beeld te brengen met een zo laag mogelijke stralingsdosis. Deze beeldvormingstechniek wordt bijvoorbeeld gebruikt bij de vroege opsporing van borstkanker.

Radioscopie

Bij radioscopie (ook fluoroscopie of ‘doorlichting’ genoemd) gebruikt men röntgenstralen om bewegende beelden van het inwendige lichaam op een scherm te maken. Waar men een radiografie kan vergelijken met het nemen van een foto, kan men radioscopie vergelijken met het maken van een video. Radioscopie is erg belangrijk bij het onderzoeken van bijvoorbeeld het spijsverteringsstelsel.

Radioscopie wordt ook gebruikt bij interventionele radiologische ingrepen. Bij interventionele radiologische ingrepen worden instrumenten in het lichaam ingebracht via een kleine incisie en onder visuele controle via beeldvorming door het lichaam geleid. In vele gevallen gebeurt deze beeldvorming via radioscopie. Op deze manier worden invasieve chirurgische ingrepen vermeden. Een gekend voorbeeld hiervan is het plaatsen van een stent.

Computertomografie (CT-scan)

Net zoals bij radiografie, maakt computertomografie (CT) gebruik van röntgenstralen. Bij CT worden echter veel meer beelden gemaakt. Het zijn dwarsdoorsneden van het inwendige lichaam, die samen een heel volume bestrijken. De patiënt wordt dus als het ware ‘gescand’. Bij een CT-onderzoek wordt in een zeer korte tijd zeer veel informatie verzameld. De stralingsdosis bij een CT-onderzoek is over het algemeen hoger dan bij een radiografie.

Echografie

Bij echografie wordt géén gebruik gemaakt van ioniserende straling maar wel van geluid. De frequentie van het gebruikte geluid is zo hoog dat het voor de mens niet hoorbaar is (ultrasoon geluid). Op basis van weerkaatsingen van deze ultrageluiden, of echo’s, kunnen beelden gemaakt worden. Het heeft geen gekende gezondheidseffecten.

Echografie is vooral in gebruik om de verschillende stadia van de zwangerschap te volgen. Maar deze techniek heeft zijn grenzen en laat niet toe om alle aandoeningen te visualiseren.

Het is vaak ook heel waardevol bij kinderen doordat het geen schadelijke gevolgen heeft. Een nadeel ervan is echter dat de arts niet altijd alle weefsels goed kan onderzoeken. Geluidsgolven dringen bijvoorbeeld slecht door lucht en beenderen heen. Hierdoor kunnen lichaamsdelen die zich achter bot of met lucht gevulde holten bevinden, moeilijk in beeld gebracht worden. De keuze voor echografie hangt sterk af van wat de arts juist wenst te onderzoeken.

Magnetische Resonantie (MRI)

Bij magnetische resonantie (Magnetic Resonance Imaging, of MRI) maakt men gebruik van een sterk magnetisch veld en radiogolven om het inwendige lichaam in beeld te brengen. Net zoals bij echografie maakt MRI géén gebruik van ioniserende straling. Voor sommige indicaties kan een MRI-onderzoek een alternatief zijn voor een CT-onderzoek.