Overslaan en naar de inhoud gaan

Ontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van het vergunningsstelsel van de inrichtingen voor eindberging van radioactief afval

De bedoeling van het (ontwerp van) koninklijk besluit is een antwoord te geven op het verzoek van de Ministerraad van 23 juni 2006 om een specifiek regelgevend kader te creëren voor de inrichtingen voor eindberging [1] van radioactief afval, waarbij rekening gehouden wordt met twee belangrijke verschillen met de andere inrichtingen van klasse I, te weten de veel langere periode die nodig is om ze in hun eindtoestand te brengen (een inrichting die gesloten is en van de mens en het leefmilieu geïsoleerd is) en het feit dat zij niet ontmanteld worden. Het besluit wordt ge­nomen in uitvoering van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agent­schap voor Nucleaire Controle. Het besluit moet gezien worden als een aan­vulling van het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. Het besluit houdt ook rekening met de regelgeving met betrekking tot het beheer van radioactief afval in België en met het Gezamen­lijk Verdrag van 5 september 1997 inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval dat door België werd geratificeerd in 2002. Het houdt ook rekening met de relevante veiligheidsnormen van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA).

Het radioactieve afval kan op verschillende manieren geclassificeerd worden. Bij de classificatie vanuit het oogpunt eindberging wordt rekening gehouden met de radioactieve inhoud en met de hal­veringstijd van de radionucliden. De eindberging van het radioactieve afval dient te gebeuren in geschikte inrichtingen. Als algemene regel kan gesteld worden dat:

  • laag- en middelactief afval met korte halveringstijd (30 jaar of minder) kan geborgen wor­den in inrichtingen aan de oppervlakte of op geringe diepte, die gedurende een beperkte tijd (enkele honderden jaar) onder controle gehouden worden; radionucliden met grotere halveringtijd zijn in die installaties alleen als sporen toegelaten
  • (zeer) laagactief afval met lange halveringstijd kan geborgen worden in inrichtingen aan de oppervlakte, waarvoor de periode van controle onbepaald is;
  • laag- en middelactief afval met lange halveringstijd en hoogactief afval kan geborgen worden in inrichtingen op grote diepte in daartoe geschikte geologische lagen.

De toelaatbare radioactieve inhoud van een specifieke inrichting voor eindberging wordt vast­ge­legd in de oprichtings- en exploitatievergunning, op basis van een veiligheidsdossier en een dosis­beperking die eigen is aan de inrichting en haar vestigingsplaats.

Alleen radioactief afval in vaste vorm komt in aanmerking voor eindberging. Radioactief afval in vloeibare en gasvormige toestand dient vooraf behandeld en geconditioneerd te worden.

Dat de ontwikkeling van een inrichting voor eindberging van radioactief afval vele tientallen jaren in beslag neemt, heeft voor gevolg dat een gefaseerde benadering aangewezen is. Aldus maakt men een onderscheid tussen de preoperationele periode, de operationele periode en de post­operationele periode. Tijdens de operationele periode vinden er bouw-, exploitatie- en sluitings­ac­ti­viteiten plaats. Na de sluiting bevindt de inrichting zich in haar eindtoestand. De post­opera­tione­le periode begint met de controlefase, die een einde neemt met de opheffing van de radiologische controle. De oprichtings- en exploitatievergunning heeft betrekking op zowel de operationele als de postoperationele periode. De bouwactiviteiten zijn slechts toegelaten na het verlenen van deze vergunning. Een nieuwe soort activiteiten (exploitatie, sluiting) en de overgang naar de controle­fase zijn slechts mogelijk op vraag van de exploitant en nadat de oprichtings- en exploitatie­ver­gunning bevestigd werd, waarbij de mogelijkheid voorzien is om de oprichtings- en exploita­tie­voorwaarden te wijzigen.

[1] Onder eindberging wordt verstaan: het bergen van radioactief afval in een geschikte installatie zon­der de bedoeling het later terug te halen.