Overslaan en naar de inhoud gaan

Blootstelling van patiënten: bijkomende opleiding

Wie dient de bijkomende opleiding te volgen?

Voor de personen die een "actieve hand" hebben in de blootstelling van patiënten, voegt artikel 53.2. de stralingsbescherming van de patiënt expliciet toe aan de reeds opgelegde informatie en vorming via artikel 25.

Wat bepalend is voor de vraag wie van deze "helpers" (verpleegkundigen, technologen medische beeldvorming...) tevens een opleiding volgens art. 53.2. moet volgen, is de mate waarin hij of zij een rechtstreekse invloed heeft op de stralingsbelasting van de onderzochte/behandelde patiënt.

Enkel zij die actief de medische blootstelling van patiënten helpen realiseren moeten opgeleid zijn in het kader van art. 53.2.

De personen die louter in vitro manipulaties uitvoeren, als "helpers" in de diergeneeskunde werken, ofwel als "blootgestelde werknemer" op diensten radiologie, radiotherapie etc... werken, maar hierbij geen handelingen verrichten die rechtstreeks bijdragen tot het blootstellen van patiënten. Deze laatsten dienen echter wel de nodige informatie en vorming over stralingsbescherming gekregen te hebben om zowel zichzelf als hun collega's en hun omgeving voldoende te kunnen beschermen, zoals beschreven in artikel 25.

Wat houdt deze opleiding in vanuit juridisch perspectief?

De opleiding die door deze regelgeving wordt vereist is minstens van het niveau niet-universitair hoger onderwijs en omvat minimum 50 uur opleiding, waarvan ten minste 10 uur praktijk.

De onderwerpen die aan bod moeten komen, zijn in het huidige ARBIS beschreven:

  • kennis van aangewende technieken;
  • praktische regels van de radioprotectie + hun fysische basis;
  • gezondheidseffecten van blootstelling aan ioniserende straling;
  • de huidige regelgeving inzake stralingsbescherming;
  • kwaliteitsborging, vooral de procedures inzake kwaliteitsbeheersing van gebruikte toestellen;
  • "bijzondere aandachtspunten" zoals blootstelling van kinderen, preventieve radiodiagnostische onderzoeken op bevolkingsniveau, het gebruik van zogenaamde "hoge dosistechnieken" bijvoorbeeld bij interventionele radiologie...

Een precieze verdeling van het aantal uren per onderwerp werd niet in het ARBIS vastgelegd. Wat de verdeling theorie-praktijk betreft wordt enkel een minimum aantal praktijkuren bepaald.

Voor de aanvullende opleiding in de radiotherapie en in de nucleaire geneeskunde wordt enkel bepaald dat voor elk van deze disciplines 10 uur extra vorming dient te worden voorzien.

De studenten moeten met succes een kenniscontrole over de hierboven beschreven opleidingen hebben ondergaan.

De regelgeving voorziet tevens de verplichting tot permanente bijscholing.

Rol van het FANC

Aangezien het FANC erover wil waken dat de in dit kader aangeboden opleidingen ook met de geest van de wet overeenstemmen, worden alle betrokken opleidingsinstellingen aangemoedigd om een dossier in te dienen voor "evaluatie".

Dit dossier dient de volgende informatie te bevatten:

  1. De organiserende instelling(en).
    Het opleidingsniveau is minstens "niet universitair hoger onderwijs", dus ziekenhuizen of ziekenhuisgroepen die cursussen organiseren dienen dit te doen in associatie met een hogeschool of een universiteit.
  2. Beschrijving van de doelgroep van de cursus.
  3. Een gedetailleerd programma waaruit kan blijken dat de wettelijk vereiste onderwerpen voldoende aan bod komen (met uurvolumes per onderwerp en betrokken lesgevers).
  4. Informatie over elke docent, waaruit diens kennis en ervaring betreffende het gedoceerde onderwerp kan blijken.
  5. Een beschrijving van de organisatie van de praktische stages (+ begeleiding en uurvolumes).
  6. Beschrijving van de kenniscontrole, zowel wat de theoretische kennis als de praktijk betreft . Hieruit moet een individuele beoordeling van de cursisten blijken.

Dit geldt ook voor de aanvullende opleidingen in de radiotherapie en de nucleaire geneeskunde.

Een minimumvereiste van 10 uren praktijk werd in de regelgeving vastgelegd. Een "redelijke" verdeling tussen praktijk en theorie zal worden gevraagd.

Aan de hand van het ingestuurde dossier, eventueel door de organisatoren toegelicht, zal worden beoordeeld of de voorgestelde opleiding voldoet aan de wettelijke vereisten. Het FANC streeft ernaar om hierbij vooral adviserend op te treden.

Het erkennen van opleidingen is een gemeenschapsbevoegdheid. Het FANC beperkt zich er dan ook toe om voor elke opleiding waarvan het dossier positief werd geëvalueerd te attesteren dat deze "behoudens andersluidende beslissing van de hoven en de rechtbanken terzake, wordt beschouwd als een opleiding in de zin van artikel 53.2. van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen".

Momenteel attesteert het FANC enkel die specifieke opleiding waarvan het het dossier positief heeft beoordeeld. Dit houdt in dat een nieuwe attesteringsaanvraag nodig is voor elke opleiding die wordt georganiseerd. Iedere wijziging dient vooraleer ze wordt doorgevoerd gesignaleerd te worden .

De opleidingsdossiers dienen te worden geadresseerd aan het FANC. 

Het attest afgeleverd door het FANC kan enkel als bijlage toegevoegd worden aan "het certificaat" dat de opleidingsinstelling aflevert, maar mag niet op het certificaat zelf vermeld worden.

De exploitant moet voor elk van zijn "helpers" een diploma, getuigschrift of attest van bekwaamheid kunnen voorleggen op vraag van het FANC.

Welke opleidingen werden reeds geattesteerd?

De hierbij gevoegde lijst van reeds geattesteerde opleidingen wordt regelmatig geactualiseerd. Aan een aantal hogescholen wordt een opleiding tot "Technoloog in de Medische Beeldvorming" gegeven, waarin de opleiding overeenkomstig art 53.2 vervat zit.