Overslaan en naar de inhoud gaan

Zeeberging van Belgisch radioactief afval

  1. Zeeberging: een methode voor afvalbeheer
  2. Internationale context
  3. Mondiale inventaris
  4. Belgische inventaris
  5. Verdere opvolging van de bergingslocaties
  6. Gelachtige uitloop op containers met radioactief afval
  7. Referenties
  8. Lijst met afkortingen

Sinds 1960 heeft België zijn radioactief afval op twee verschillende manieren beheerd:

  • Van 1960 tot 1982 stortte België zijn radioactief afval in de Noord-Atlantische Oceaan. Aan deze praktijk kwam een einde in 1983.
  • Sinds 1983 stockeert België al zijn containers met radioactief afval op Belgische bodem, ongeacht of het over laag-, middel- of hoogradioactiefafval gaat.
  • In de lente van 2013 werd een gelachtige uitloop aangetroffen op vijf vaten met laagradioactief afval die opgeslagen staan bij Belgoprocess. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat deze geluitloop zich ook voordoet bij vaten van verschillende andere productiecampagnes. Bijgevolg rijst de vraag of er destijds ook vaten in zee gestort zijn door België die gelijkaardig zijn aan de vaten die dit gebrek vertonen.

Met dit document wil het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) meer informatie verschaffen overde 15 zeebergingsoperaties die plaatsvonden tussen 1960 en 1982. Daarbij zal de focus vooral liggen op de strategie achter deze vorm van afvalbeheer en op de regelgeving die destijds gold. Verder omvat dit document ook een bondige inventaris van de containers die tijdens de 15 zeebergingsoperaties in zee werden gestort en een detailoverzicht van de hoeveelheden en activiteit van het radioactieve afval dat op verschillende stortingsplaatsen in de Noord-Atlantische Oceaan ligt.

Tot slot verschaft deze nota ook enige informatie over de Belgische containers met laagradioactief afval waarop in 2013 een gelachtige substantie aangetroffen werd, aangezien in het verledengelijkaardig afval in zee gestort werd.

1. Zeeberging: een methode voor afvalbeheer

Zeeberging als methode voor het beheer van door de mens geproduceerd afval: het is van alle tijden. Radioactief afval vormt geen uitzondering op deze regel en werd eveneens lange tijd in zee gedumpt.

Zo organiseerde België tussen 1960 en 1982 in totaal 15 operaties waarbij het een deel van zijn radioactief afval in zee stortte. De containers die het radioactieve afval bevatten, werden daarbij gewoon op de zeebodem gedeponeerd, zonder ze in te graven. De meeste containers waren dan ook zo ontworpen dat ze het afval gedurende drie jaar vasthielden en vervolgens elk jaar 1% van hun radionuclideninhoud vrijgaven [10]. In die tijd was het beleid gericht op de dispersie van het afval: doordat de radionucliden geleidelijk aan vrijkwamen, werd de radioactiviteit sterk verdund. Wetenschappers waren van mening dat het mariene milieu ervoor zorgde dat verdunning en de veronderstelde isoleringsduur van het afval volstonden als beschermingsmaatregelen.

2. Internationale context

Hoewel de eerste stortingen van radioactief afval in zee wereldwijd al in 1946van start gingen, dateert de eerste internationale regelgeving pas van de Conferentie van de Verenigde Naties over het zeerecht [4, 8] in 1958, waar het volgende besloten werd: "Iedere Staat dient maatregelen te nemen ter voorkoming van de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van radioactieve afvalstoffen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de normen en voorschriften welke door de bevoegde internationale instanties werden opgesteld"[13].

Het IAEA kreeg de opdracht om veiligheidscriteria en aanbevelingen op te stellen voor het storten van radioactief afval in zee. Zo adviseerde het IAEA in 1961 om het afval enkel te storten op plaatsen die speciaal daarvoor waren aangeduid door een bevoegde autoriteit, die ook moest instaan voor het toezicht op de operaties.

Op die manier begon de OESO in 1967, via de bemiddeling van het Nucleair Energie Agentschap (NEA), de verzameling van afval van Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Nederland te coördineren om de stortingsoperaties te optimaliseren.

Destijds konden alle soorten nucleair afval in zee worden gestort. In 1972 werd evenwel het Verdrag van Londen ondertekend, dat sindsdien geldt als het belangrijkste internationale controle-instrument inzake de stortingen van radioactief afval in zee [14]. Dit verdrag verbood, vanaf zijn inwerkingtreding in 1975, het in zee storten van hoogradioactief afval. Het storten van laagradioactief afval was wel nog toegelaten, maar vereiste bijzondere voorzorgsmaatregelen en een specifieke vergunning. Het IAEA werd belast met de opdracht om de selectiecriteria te bepalen voor afval dat niet geschikt was voor storting in zee. In 1985 ratificeert ook België het Verdrag van Londen.

Ondanks deze maatregelen namen de spanningen rond de zeeberging van radioactief afval mettertijd toe. Verschillende leden van het Verdrag van Londen maakten zich zorgen over de eventuele risico's voor mens en milieu en begonnen druk uit te oefenen om deze praktijk verder te beperken. In 1983 kwam er een moratorium op de zeeberging, in afwachting van een definitief onderzoek van de kwestie [4].

Uiteindelijk besloten de leden van het Verdrag in 1993 om voortaan het storten van alle soorten radioactief afval in zee te verbieden. Ze namen deze beslissing op basis van morele, sociale en politieke overwegingen [16]. Zuiver wetenschappelijk en technisch gezien was het immers onmogelijk om uitsluitsel te geven over de vraag of deze operaties nu moesten worden stopgezet of verlengd.

3. Mondiale inventaris

Het waren de Verenigde Staten die in 1946 voor het eerst radioactief afval stortten in de noordoostelijke Stille Oceaan. De laatste zeebergingsoperatie wereldwijd (de USSR niet meegerekend) vond plaats in 1982 in de Noord-Atlantische Oceaan. Tussen deze beide data hebben 14 landen radioactief afval geborgen op meer dan 80 plaatsen in de Stille en de Atlantische Oceaan. Volgens de gegevens van het IAEA was dit afval op het ogenblik van berging goed voor een totale activiteit van 85 100 TBq.

Van al het radioactieve afval dat werd geborgen in de Noord-Atlantische Oceaan was 77,5% afkomstig van het Verenigd Koninkrijk, 9,8% van Zwitserland, 6,5% van de Verenigde Staten en 4,7% van België. Alles tesamen vertegenwoordigt dit afval zo'n 53,2% van de totale activiteit die wereldwijd in zee geborgen werd.

4. Belgische inventaris

Tijdens zijn 15 zeebergingsoperaties (die initieel onder leiding stonden van het SCK•CEN en vanaf 1967 onder leiding van het NEA van de OESO) stortte België in totaal 55 324 containers met radioactief afval op 7 verschillende bergingslocaties in de Noord-Atlantische Oceaan, goed voor in totaal 29 731 ton aan vaten met een totale activiteit van 2120 TBq (op het ogenblik van berging). De gebruikte containers hadden een capaciteit van 220 tot 1500 liter, waren vervaardigd van metaal of cement en hadden een matrix van bitumen, beton, cement of polymeer [1, 2, 15].

Bovenstaande kaart [4] geeft een overzicht van alle bergingslocaties in de Noordoost-Atlantische Oceaan, met vermelding van de totale activiteit van het geborgen afval. Onderstaande tabel [1, 2] geeft de hoeveelheid en activiteit weer van het radioactieve afval dat door België op deze plaatsen gestort is. Met uitzondering van de eerste bergingslocatie (site 2 op de kaart, gebruikt in 1960 en 1962, 96% van de activiteit afkomstig van het VK en 4% van België) liggen alle gebruikte bergingslocaties op grote diepte (> 3600 m).

Onderstaande grafieken tonen de evolutie van jaar tot jaar van de massa en de activiteit van het radioactieve afval dat door België in zee werd geborgen [1, 2, 4]. De vaten die in 1983 werden geproduceerd ter voorbereiding van een zestiende zeebergingsoperatie, werden uiteindelijk nooit geborgen vanwege het internationale moratorium. Dit laagradioactieve afval wordt nog steeds gestockeerd in België.

Het door België geborgen afval vertegenwoordigt 2,49% van de totale activiteit van het wereldwijd in zee geborgen radioactieve afval.

Bijkomende studies over afval in de Belgische territoriale wateren, zoals de ladingen munitie die na de Eerste Wereldoorlog in de Noordzee gedumpt werden, kunnen geraadpleegd worden op de website van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee) [12].

5. Verdere opvolging van de bergingslocaties [3, 4]

Van 1958 tot 1977 waren landen, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het zeerecht, vrij om zelf de zeebergingsoperaties van radioactief afval in zee te organiseren en controleren, op voorwaarde dat ze zich hielden aan de aanbevelingen van het IAEA inzake de keuze van de bergingslocaties, de controle van de operaties en de evaluatie van de impact. Het toezicht op de bergingslocaties was dus volledig in handen van het betreffende land, zoals bepaald door het Verdrag van Londen van 1972.

Om de samenwerking tussen de verschillende landen te verbeteren, besloot de OESO in 1977 om een "overleg- en bewakingsmechanisme voor de berging van radioactief afval in zee" in te voeren. Dankzij deze beslissing kwam er bovenop de nationale controles ook een internationaal toezicht, en werden landen ertoe verplicht om te gehoorzamen aan de richtlijnen en het toezicht van het NEA.

De beslissing van de OESO verplichtte het NEA er verder ook toe om vijfjaarlijkse controles uit te voeren op de laatste bergingslocatie, die nog in gebruik was in 1977. In 1980 werd daarvoor het onderzoeksprogramma CRESP (gecoördineerd onderzoeks- en toezichtsprogramma inzake het bergen van radioactief afval in zee) gelanceerd. Bedoeling was om een betrouwbare en volledige wetenschappelijke basis te vinden voor de evaluatie van de bergingslocaties in de Noord-Atlantische Oceaan. Uit de analyseresultaten van de destijds verzamelde stalen bleek dat de concentratie van radionucliden (representatief voor het geborgen afval) in het zeewater op deze locaties niet significant verhoogd was. Gezien de lage vastgestelde blootstellings- en stralingsniveaus werd het, na het totale verbod van 1993, niet langer nodig geacht om de bergingslocaties aan het permanente toezicht van het NEA te onderwerpen. Het toezichtsprogramma werd dan ook stopgezet in 1995.

In 1984 onderwierp IFREMER, in samenwerking met het CAE, de in 1979 gebruikte bergingslocatie aan een rechtstreeks foto-onderzoek. De gefotografeerde containers leken intact te zijn, op enkele vervormingen na. Het omhulsel van sommige metalen containers bleek verroest [4].

In 2000 organiseerde de ngo Greenpeace een gelijkaardig onderzoek van bergingssite 2, die in 1960 en 1962 was gebruikt door België. Deze vaten bleken aanzienlijke schade te hebben opgelopen [4].

Bij gebrek aan historische informatie valt het moeilijk in te schatten wat de exacte inhoud is van de containers die door België in zee werden geborgen. Hun activiteit op het ogenblik van berging garandeert dat het vooral gaat om laag- en eventueel middelradioactief afval, maar de exacte inhoud van de containers is dus niet gekend.

Momenteel worden de bergingslocaties van radioactief afval in zee nog nauwelijks opgevolgd. De meeste landen rond de Noord-Atlantische Oceaan houden echter wel permanent toezicht op de kwaliteit van hun territoriale wateren. Ook in België zijn het grondgebied en de territoriale wateren onderworpen aan een permanent radiologisch toezicht. In 2012 voerde het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle een onderzoek uit in het hele maritieme gebied, waarbij 1840 radioactiviteitsmetingen werden uitgevoerd op 450 zeewaterstalen. De resultaten van dit onderzoek bevestigden dat er geen probleem is met de radiologische toestand van het maritieme milieu in de Belgische territoriale wateren [11].

6. Gelachtige uitloop op containers met radioactief afval [5]

In de lente van 2013 werd een gelachtige uitloop aangetroffen op enkele vaten met radioactief afval (met betonmatrix) die geproduceerd waren in de kerncentrale van Doel en die gestockeerd stonden bij Belgoprocess. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat dit verschijnsel te verklaren valt door een chemische reactie tussen de alkali's van het afval en het reactieve silicium van de betonmatrixen van deze afvalcontainers. Uiteraard stelt zich nu de vraag of dit probleem zich ook voordoet bij de containers die destijds door België in zee werden gestort.

In zee liggen verschillende soorten vaten: vaten uit metaal en beton, waarbij het afval is ingewerkt in matrixen van bitumen, cement of beton. De containers die België in zee heeft gestort zijn van hetzelfde type als deze waarin de gel werd aangetroffen. Het is dus waarschijnlijk dat zich in de in zee gestorte containers eveneens deze gelachtige substantie gevormd heeft, en het is mogelijk dat deze gel uit de vaten is gelekt.

Hier dient echter opgemerkt dat de beheersstrategie voor radioactief afval destijds niet gericht was op een langdurige insluiting van de radionucliden in de containers, zoals dat vandaag wel het geval is. Destijds was de strategie bij doorbreking van de insluiting gericht op dispersie en verdunning van de radionucliden in een zeer groot volume water. De matrix van de verpakking was dan ook niet bedoeld voor langdurige insluiting van de radionucliden in de afvalcontainers. We kunnen er dus van uitgaan dat de vorming en lekkage van een gel bij deze containers niet zal zorgen voor een grotere vrijgave van radionucliden dan destijds was voorzien.

7. Referenties

[1] Inventory of radioactive waste disposals at sea, IAEA, IAEA-TECDOC-1105, augustus 1999
[2] Inventory of radioactive material entering the marine environment, IAEA, IAEA-TECDOC-588, maart 1991
[3] Co-ordinated research and environmental surveillance programme related to sea disposal of radioactive waste, CRESP Final Report 1981-1995, Nuclear Energy Agency OECD, 1996
[4] Les déchets immergés, Inventaire national des matières et déchets radioactifs, ANDRA, 2012
[5] Actieplan voor veilig beheer vaten met gelvorming, NIRAS, september 2014
[6] Eurochemic 1956-1990, OECD, 1996
[7] Un demi-siècle de nucléaire en Belgique – Témoignages, Belgian Nuclear Society, 1994
[8] Evacuation des déchets radioactifs dans la mer : Convention de Londres de 1972, AIEA Bulletin, 2/1994
[9] Website van het ANDRA
[10] Report on Historic Deep Sea Disposal of Radioactive Waste in Layperson's Language, OSPAR Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic, Meeting of the Radioactive Substances Committee, London, 11-13 February 2014
[11] Radiologisch toezicht in België - Syntheseverslag 2012, Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle
[12] Website van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee
[13] Verdrag inzake de volle zee van 29 april 1958, artikel 25
[14] Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 29 december 1972
[15] Voorstel van resolutie tegen het storten van radioactief afval in zee van 5 maart 1985, Kamer van Volksvertegenwoordigers
[16] Zestiende overlegvergadering van de verdragsluitende partijen van het Verdrag van Londen

8. Lijst met afkortingen

NEA = Nuclear Energy Agency
IAEA = Internationaal Atoomenergieagentschap
CAE = Centrum voor Atoomenergie
IFREMER = Institut Français de Recherche pour l'Exploitation de la Mer
OESO = Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
NGO = Niet-gouvernementele organisatie
SCK•CEN = Studiecentrum voor Kernenergie